INLEIDING

 De jrD-lijst van het complete oeuvre

van

Claude Debussy (1862 – 1918)


De jrD-lijst (initialen van ondergetekende plus de D van Debussy) geeft een volledig overzicht van alle composities van Claude Debussy. Bij deze lijst is uitgegaan van de Liste des Oeuvres de Claude Debussy van François Lesure uit 1977 en latere edities daarvan. Ook is informatie verkregen uit diverse biografieën van Debussy, diens complete correspondentie, verantwoordingen bij uitvoeringen en discografische producties, een aantal Duitse, Engelse, Amerikaanse, Franse en Canadese publicaties en door inzage van contracten tussen de componist en zijn uitgevers. 

Werken die Debussy ooit van plan was te schrijven maar waarvan nooit iets is gekomen, kregen geen plaats op deze lijst, om de eenvoudige reden dat ze niet bestaan. Dit geldt ook voor verloren gegane werken, zelfs als het vaststaat dat Debussy ze eens heeft geschreven. (Zo is het eerste verplichte stuk dat Debussy vanuit Rome naar de Académie in Parijs stuurde, Zuleima, buiten de lijst gehouden, omdat de componist het werk terugnam en de partituur vernietigde, nadat het door de jury als onbegrijpelijk, bizar en niet uitvoerbaar was afgekraakt.) In de meeste in omloop zijnde oeuvre-overzichten  - zoals de lijsten van Lesure -  zijn deze niet meer bestaande werken meestal wél opgenomen.

Het komt ook voor dat van een voorgenomen groter werk slechts een of meer onderdelen gereed zijn gekomen; de rest bleef ongeschreven (of is verloren gegaan). Die overgebleven delen zijn soms als zelfstandig stuk een eigen leven gaan leiden en kregen in dat geval een eigen plaats op de jrD-lijst. Zo hebben de Diane Ouverture en het Duet Eros et Diane elk een eigen jrD-nummer, al waren ze oorspronkelijk bedoeld als onderdelen van een theaterstuk met de naam Diane au Bois

Zoals alle conservatoriumstudenten kregen ook Debussy en zijn klasgenoten harmonie- en contrapuntopgaven op, die zij thuis of klassikaal moesten uitwerken, met inachtneming van alle strenge voorschriften die voor deze vakken golden. De handhaving van deze regels was zo stringent, dat er nauwelijks ruimte bleef voor een eigen artistieke inbreng. Hoewel enkele van deze oefeningen bewaard zijn gebleven, heeft geen enkele musicus ze ooit op zijn repertoire genomen; ze werden niet als eigen compositie van Debussy beschouwd. Deze uitwerkingen kregen daarom geen plaats op de jrD-lijst. (Ook op de lijsten van Lesure komen ze niet voor.)

Dit geldt ook voor de fuga’s op een gegeven thema, die Debussy binnen het kader van de strijd om de Prix de Rome correct moest uitwerken om door te mogen gaan. Was naar de mening van de jury de fuga bekwaam uitgewerkt, dan moest de kandidaat nog een stuk voor koor en orkest schrijven. Pas nadat de jury ook dit werk had goedgekeurd lag de weg naar de eindronde open. Deze koorwerken kregen wél een plaats op de jrD-lijst, omdat de kandidaat hier nog enige vrijheid van expressie was vergund. 


De Prix de Rome voor Compositie is op 28 januari 1803 ingesteld, in het bijzonder voor studenten aan het Conservatorium van Parijs. Het doel was om de artistieke ontwikkeling van jonge, getalenteerde componisten te bevorderen. Helaas bleken de conservatieve ideeën van de jury over muziek daarbij de grootste sta-in-de-weg. De talloze regels en voorschriften waaraan de jonge componisten zich moesten houden om mee te mogen dingen naar de Prix, smoorden alle originaliteit, nagenoeg elke persoonlijke ontplooiing en iedere zweem van vernieuwing. Omdat het winnen van de Prix grote voordelen bood (naamsbekendheid en een toelage van de staat om vier jaar lang zonder geldzorgen te werken, waarvan twee jaar in de Villa Medici te Rome) accepteerden de deelnemers deze beperkingen en trachtten binnen de toegestane ruimte toch nog iets eigens in te brengen.

Het werd hen overigens niet gemakkelijk gemaakt. De kandidaten moesten eerst de inleidende fase overleven, voordat ze tot de eindronde konden worden toegelaten. Die inleidende fase bestond uit het schrijven van een vierstemmige fuga op een gegeven thema en het componeren van een koorwerk met orkest op een niet al te lange tekst. De ongeveer twintig deelnemers werden daartoe een week in afzondering opgesloten in een vertrek zonder piano en mochten hun kamer niet uit. Als de fuga was goedgekeurd, mochten ze hun koorwerk aan de jury voorleggen. (Om kosten te besparen en hun compositie gemakkelijker aan de jury te kunnen presenteren schreven de kandidaten meestal naast de orkestpartij een transcriptie voor piano à quatre mains.)

Ongeveer 5 of 6 deelnemers werden toegelaten tot de eindronde. Deze bestond uit het schrijven van een cantate voor koor, orkest en solisten op een gegeven libretto. Ze mochten enkele weken geen contact hebben met elkaar en met de buitenwereld. Na die afzonderingsperiode werden de stukken voor de jury uitgevoerd, die kort daarop de uitslag bekend maakte. De winnaars van de eerste en tweede prijs mochten naar de Villa Medici in Rome. Ze moesten van daar uit elk jaar een verplichte compositie, de ‘envois’, insturen, die dan door de Académie des Beaux Arts in Parijs werd beoordeeld. De jury bestond uit zes leden van de muzieksectie van de Académie, aangevuld met drie componisten. 


Originele werken die niet door de componist zijn voltooid, maar later (vaak na zijn dood) door anderen zijn afgemaakt, staan in rood schrift vermeld. Als datum geldt hier het moment dat de componist zich voor het laatst met het werk heeft beziggehouden. Het door anderen voltooide werk staat in het zwart en heeft als datum het moment dat het stuk gereed kwam.

Dit laatste geldt ook voor de overige werken: bij de datering is uitgegaan van de datum waarop de compositie werd voltooid. Als een werk uit verscheidene delen bestaat, geldt dus als compositiedatum het moment waarop het laatste deel gereed kwam. Bij een liederencyclus is dat het laatst voltooide lied.

Van sommige stukken is alleen het jaartal waarin ze zijn geschreven bekend; van andere het deel van het jaar, of de maand, of zelfs de nauwkeurige datum. Als van een werk alleen de maand van totstandkoming bekend is en van een andere compositie de nauwkeurige datum binnen diezelfde maand, dan wordt het stuk waarvan alleen de maand bekend is, geacht in het midden van die maand gecomponeerd te zijn. Een soortgelijke aanpak geldt voor composities waarvan men alleen het jaartal kent. Deze worden geacht in het midden van het jaar te zijn geschreven, zodat de maanden januari t/m juni ervóór komen en de maanden juli t/m december erná. Op deze wijze wordt de afwijking zo klein mogelijk gehouden.

Soms staat in de literatuur een jaargetijde als compositiedatum aangegeven. De zomer wordt in dit overzicht om praktische redenen geacht op 1 juli te beginnen (in plaats van op 21 juni), dus onmiddellijk volgend op het midden van het jaar. (De compositiedatum ‘1890’ gaat dus vooraf aan de compositiedatum ‘zomer 1890’).

De aanduiding ‘winter’ is vermeden. (Immers: de winter van, bijvoorbeeld, 1888 begint op 21 december 1888, maar ligt voor het overgrote deel in 1889.) Hier is de voorkeur gegeven aan ‘begin van het jaar’ (voor de eerste maanden van het jaar) en ‘eind van het jaar’ (voor de laatste maanden van het jaar). Voorjaar en herfst vormden geen probleem. 

Van verscheidene composities van Debussy bestaan verschillende versies. Deze arrangementen en transcripties zijn in de lijst opgenomen voor zover Debussy bemoeienis met de totstandkoming ervan heeft gehad; hetzij doordat ze van zijn hand zijn, doordat ze onder zijn supervisie zijn geschreven, doordat hij er toestemming voor heeft gegeven, of doordat hij de wens dat de betreffende versie zou verschijnen heeft kenbaar gemaakt. Chronologisch geldt voor deze versies de datum waarop de versie tot stand kwam. De datering loopt door tot na de dood van Debussy, omdat er arrangementen en transcripties bij zijn waarmee Debussy wel bemoeienis heeft gehad, maar die pas na zijn dood door anderen zijn voltooid, bijna altijd met raadpleging van de aantekeningen van de componist. Arrangementen en transcripties van een werk, of van een deel van dat werk, krijgen geen eigen nummer. Ze dragen het nummer van het origineel, aangevuld met A, B, enz. (Een uitzondering is gemaakt voor de Épigraphes antiques, waarin het materiaal van Chansons de Bilitis is gebruikt, maar die, geschreven als pianosuite en losgemaakt van hun literaire achtergrond, een zodanig eigen karakter hebben gekregen dat ze als nieuw werk kunnen worden gezien.) 

Claude Debussy heeft zowel losse liederen, als liederencycli geschreven. De term ‘liederencyclus’ behoeft enige uitleg. Sommige zijn als cyclus geschreven (zoals: Ballades de François Villon), maar ook op zichzelf staande liederen die later door Debussy bijeen zijn gevoegd (bijvoorbeeld: Recueil Vasnier), worden hier als liederencyclus beschouwd en verschijnen dus onder één nummer. Daarnaast zijn er ook cycli die niet als zodanig zijn geschreven, maar die door de uitvoeringspraktijk traditioneel tot een geheel zijn geworden (voorbeeld: Sept poèmes de Banville). Ook deze krijgen één nummer.

Zowel achter losse liederen en liederencycli, als na cantaten en opera’s, staat tussen haakjes de naam van de dichter vermeld. 

In de naamgeving komen enkele titels voor die verwarring zouden kunnen veroorzaken. Zo heeft Debussy drie werken gecomponeerd met de naam Le printemps. Het eerste is een koorwerk met orkest uit 1882, waarmee hij toegang trachtte te verkrijgen tot de eindronde van de Prix de Rome. In 1884 schreef hij met hetzelfde doel wederom een koorstuk en weer met dezelfde naam. Om beide werken uit elkaar te kunnen houden, kreeg de eerste later de beginwoorden van de tekst als titel: Salut printemps. Toch wordt deze compositie uit 1882 op sommige Cd’s en in enkele publicaties nog als Le printemps aangeduid. De verwarring neemt nog toe doordat Debussy in 1887 een tweedelige suite schreef, die eveneens de naam Le printemps (later: Printemps) kreeg.

Een soortgelijk probleem doet zich voor met de titel Clair de lune. Op dit gedicht van Paul Verlaine heeft Debussy twee liederen geschreven. Het eerste kreeg een plaats in de Recueil Vasnier (en wordt als ‘eerste versie’ aangeduid), de ‘tweede versie’ besluit de eerste bundel van de Fêtes galantes. Bovendien gaf Debussy de naam Clair de lune ook aan het derde deel van de Suite bergamasque.

La fille aux cheveux de lin is zowel de titel van een van Debussy’s préludes voor piano (nummer 8 van boek I), als van een van zijn liederen, op tekst van Leconte de Lisle.

Naast de twee liederencycli van Debussy met de naam Fêtes galantes -  onderscheiden door de toevoeging 1e bundel en 2e bundel -  schreef hij ook nog het lied Fête galante, dat deel uitmaakt van de cylus Sept poèmes de Banville.

De Nocturne voor piano, tenslotte, staat geheel los van de drie Nocturnes voor orkest, al bestaan van deze laatste wel weer versies voor piano.

 

(In de rechterkolom van deze lijst is de code aangegeven waaronder de betreffende Cd bij de Centrale Discotheek te Rotterdam kan worden gehuurd. Bij het selecteren van de Cd’s is zowel op de uitvoerings- als op de geluidskwaliteit gelet. Het is duidelijk, dat een dergelijke keuze altijd subjectief is. Bij unieke uitvoeringen, waarvan geen andere opnamen bestaan, moest uiteraard genoegen worden genomen met wat er voorhanden was.)

 

         John de Rooy      (22 augustus 2012)

 Voorstellen, aanvullingen, op- en aanmerkingen kunnen gestuurd worden aan 

 johnderooy@hotmail.com

of naar het Gastenboek